deel 2: Iedereen in een dossier
De Unie, 31 maart 2009
We zijn in de ban van technologie. We omarmen nieuwe technologische toepassingen
om ons lichaam te verbeteren en, steeds meer, om sociale problemen aan te pakken.
Om onze kinderen te beschermen wordt veel verwacht van elektronische kinddossiers en vroegsignalering. Kunnen hulpverleners daarmee wel normaal en zelfstandig hun werk doen? En is het ‘eens een straatschoffie, altijd een straatschoffie’?
Dat vervloekte/gezegende kinddossier!
Het elektronisch kinddossier (EKD) kan de hulpverlening aan kinderen substantieel verbeteren doordat verschillende hulpverleners cruciale informatie met elkaar kunnen delen en beter kunnen gaan samenwerken, vindt Leonard Geluk, wethouder van Jeugd, Gezin en Onderwijs (CDA) van Rotterdam. Nee, het EKD is een totalitair systeem dat kinderen, ouders én hulpverleners in een mal perst en de hulpverlening juist schaadt, aldus Jos Lamé, directeur RIAGG Rijnmond.
De heren gingen onder voorzitterschap van Godfried Engbersen, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit, met elkaar en het publiek in debat. Het was het tweede debat van een driedelige serie naar aanleiding van het verschijnen van het jaarboek van TSS tijdschrift voor Sociale Vraagstukken In de greep van de technologie, georganiseerd door TSS en de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur.
Vanaf eind 2009 krijgt elk kind in Nederland een EKD, met gegevens over het kind zelf, de ouders en de omgeving. Consultatiebureauartsen en verpleegkundigen van de jeugdgezondheidszorg houden het bij en gebruiken het in de contacten met ouders voor registratie en informatie. Het EKD moet inzicht geven in de gezondheidstoestand en de gezondheidsrisico’s van kinderen. Als het aan het kabinet ligt, blijft het daar niet bij. In de landelijke Verwijsindex Risicojongeren (VIR) moeten risico’s die jongeren lopen in kaart worden gebracht. Als een jongere problemen heeft, houden zich daar vaak meerdere hulpverleners mee bezig. Via de VIR kunnen hulpverleners informatie met elkaar delen en kunnen ze in een vroeg stadium contact met elkaar opnemen en sneller hulp bieden aan een jongere, is de redenering. Rotterdam is een van de dertig gemeenten die sinds 2007 op proef met de VIR werken.
Met EKD en VIR kan je nieuwe ‘Maasmeisjes’ voorkomen, is het standpunt van wethouder Geluk. Het zogenaamde ‘Maasmeisje’ werd in 2006 in stukken gesneden aangetroffen in de Nieuwe Maas. Het duurde vier maanden voor men erachter was dat het ging om de twaalfjarige Gessica. Ze was door haar vader vermoord. Meer dan tien instanties in Rotterdam waren betrokken geweest bij de hulpverlening aan het gezin, maar ze hadden onderling geen informatie uitgewisseld en geen actie ondernomen. In de vier maanden dat Gessica vermist was, had niemand haar gemist. De Inspectie voor de Gezondheidszorg deed onderzoek. Een van de aanbevelingen: zorg ervoor dat hulpverleners van elkaar weten wie er betrokken is bij een gezin en werk samen.
“Ik neem die opdracht uiterst serieus”, zei Geluk tijdens het debat. “Er zijn in Rotterdam 6000 kinderen om wie ik me ernstig zorgen maak, omdat die het risico lopen om in de mêlee van hulpverleningsorganisaties die bij hen betrokken zijn toch niet de hulp en zorg te krijgen die ze nodig hebben. Het EKD is een hulpmiddel om ervoor te zorgen dat die kinderen niet tussen de wal en het schip raken. Met het EKD kunnen hulpverleners cruciale informatie over die kinderen met elkaar delen. ”
Volgens Lamé krijgen kinderen echter al optimale hulpverlening. In een geruchtmakend interview in NRC Handelsblad zei hij niet te verwachten dat het aantal van 100duizend mishandelde kinderen per jaar noemenswaardig zal afnemen. Geweld hoort bij het leven. “De hulpverlening heeft mensen nu eenmaal niet aan een touwtje”, aldus Lamé in NRC Handelsblad. Het EKD maakt hulpverlening tot lopende bandwerk, zei hij tijdens het debat. Zo’n digitaal systeem maakt ouders, kinderen en hulpverleners tot eenheidsworsten. Hulpverleners hebben allemaal verschillende visies op de aanpak van complexe problemen binnen gezinnen en die veelstemmigheid, noodzakelijk voor goede hulpverlening vond hij, zou in het EKD worden gesmoord. Lamé geloofde ook helemaal niet dat meer samenwerking tussen verschillende hulpverleningsinstanties de moord op Gessica had kunnen voorkomen. “De Inspectie heeft het politieke standpunt overgenomen dat het dan beter was afgelopen, terwijl dat nergens uit blijkt. Ik vind dat zorgwekkend dat de Inspectie steeds vaker zulke onwetenschappelijke politieke standpunten inneemt.”
Geluk vond het een kwalijke zaak dat Lamé de conclusies van de Inspectie van tafel veegde.
“Als u geen informatie deelt met andere organisaties, zijn kinderen daar de dupe van”, voegde hij eraan toe. “Dat is voor mij als lokaal bestuurder niet te accepteren.”
Op zijn beurt vond Lamé het weer niet te verkroppen dat Geluk zich in zijn ogen niets aantrekt van de privacywetgeving. “Ik vind het raar dat u daarmee gaat spelen en de grenzen van de wet opzoekt.”
Volgens Lamé leidde de roep om meer samenwerking tussen hulpverleningsinstelling tot een ongewenste ontschotting en een onaanvaardbare vermenging van belangen. Zo wilde de politie de behandeling van de verdachte van de Schiedammer Parkmoord bij de RIAGG volgen. Lamé had als brugman moeten praten om dat te voorkomen.
Verder waren er volgens hem nu al genoeg contacten tussen hulpverleners. “Hulpverleners hebben al jaren hechte relaties. Alle therapeuten van de RIAGG weten de mensen van de jeugdhulpverlening prima te vinden.” Die relaties en de professionaliteit van de hulpverleners zouden gerespecteerd moeten worden, vond hij. Geluk had echter een iets andere opvatting over professionaliteit. “Een onderdeel van de professionaliteit van een hulpverlener is dat hij relevante informatie deelt.”
LEES VERDER IN HET PDF BESTAND HIERONDER